sprookjes
Hieronder kan je een verzameling Chinese
sprookjes lezen. Nieuwe sprookjes zijn altijd welkom. Laat dus een berichtje in
mijn gastenboek achter als je nog
een sprookje kent en niet op deze bladzijde staat. Niet van alle sprookjes is
meer bekend van welke homepage ze zijn gehaald. Vind je dat ik onterecht van je
tekst gebruik heb gemaakt, laat het me dan even weten en ik verwijder het
sprookje van mijn homepage. Verder zijn niet alle sprookjes geschikt om aan
kleine kinderen voor te lezen.

Assepoester
De gefopte
vos
De
grafschenner
De hoge
plaats van dubbel 9
De Keizer en de Chinese nachtegaal
De parelvisser
De
tsja-tsja-ta-toe-toe en de feniks
De wijze man
Drakenbootfestival
Het gewaad van de
koningstijger
Het
verhaal van de vleermuis
Hoe
iemand die het kleine begeert, het grote verliest
Assepoester
Er was eens, nog voor de tijd van Chin
(222-206 voor Christus) en Han, een opperhoofd van een holengebied, die door de
inboorlingen opperhoofd Wu werd genoemd. Hij huwde twee vrouwen, van wie er een
stierf en hem een dochtertje naliet, genaamd Yeh Shen. Zij was zeer intelligent
en handig in het bewerken van goud en haar vader hield erg veel van haar. Toen
deze stierf, werd zijn slecht behandeld door haar stiefmoeder, die haar dikwijls
dwong hout te hakken en haar naar gevaarlijke plaatsen zond om water te putten
uit diepe bronnen.
Op
een zekere dag ving Yeh Shen een visje dat iets langer was dan vijf centimeter,
met rode vinnen en gouden ogen; zij name het visje mee naar huis en deed het in
een vissenkom. Het groeide en groeide bij de dag en weldra was de kom er te
klein voor. Toen liet zij de vis zwemmen in de vijver achter de woning. Yeh Shen
was gewend hem te voeden met wat zij van haar eigen eten bewaarde. Als zijn bij
de vijver kwam, zwom de vis naar de oppervlakte en legde zijn kop op de rand,
doch als een ander aan de waterkant stond, verscheen hij niet.
Dit eigenaardige gedrag van de vis werd
opgemerkt door de stiefmoeder, die dikwijls de wacht hield bij de vijver, doch
nooit vertoonde de vis zich aan haar. Op een dag nam zij haar toevlucht tot een
list. Ze zij tot het meisje:”Ben je niet moe van je werk? Ik zal je een nieuwe
jurk geven.” Toen liet zij Yeh Shen haar oude kleding uittrekken en zond haar
weg om water uit de put te halen die op enige honderden meters afstand lag. De
stiefmoeder trok Yeh Shen haar jurk aan, en met een scherp mes in haar mouw
verborgen, ging zij naar de vijver en riep de vis. Toen hij zijn kop boven het
water uitstak, doodde zij hem. De vis was op dat moment meer dan drie meter lang
en gekookt smaakte hij veel en veel beter dan welke andere vis ook. De
stiefmoeder begroef de graten in een mesthoop.
De volgende dag keer Yeh Shen terug,
doch toen zij aan de vijver kwam, zag zij dat de vis verdwenen was. Zij weende,
tot een man met verward haar, in haveloze kledij, uit de hemel neerkwam en haar
kalmeerde met de woorden:”Huil niet. Je moeder heeft de vis gedood, zijn graten
liggen begraven onder in een mesthoop. Ga naar huis en neem de graten mee naar
je kamer en verberg ze daar. Wat je ook zult wensen, bid tot hen en je wens zal
worden vervuld.”
Yeh Shen volgde zijn raad op en het
duurde niet lang of zij had goud en sieraden en mooie kleren van zulk een
kostbaar weefsel, dat ze het hart van elk meisje verrukt zou hebben.
Op de avond van het Holenfeest kreeg Yeh Shen de opdracht om thuis te blijven en
op de boomgaard te passen. Toen het eenzame meisje zag dat haar stiefmoeder op
veilige afstand was, doste zij zich uit in een groen zijden jurk en ging naar
het feest. Haar zuster, die haar had herkend, zei tot de moeder:”Lijkt dat
meisje niet opvallend veel op mijn oudere zuster?” De moeder scheen haar ook te
herkennen. Yeh Shen die hun blikken bemerkte, snelde in zo’n haast weg, dat zij
een van haar muiltjes verloor, dat in handen viel van de holbewoners. De moeder
echter vond, thuisgekomen, haar stiefdochter slapend met de armen om een boom
geslagen. Toen meende zij daar haar verdenking omtrent het fraai geklede meisje
ongegrond was.
In de buurt van het holengebied lag een
eilandenrijk dat T’o Huan heette. Door zijn sterke leger heerste het over
vierentwintig eilanden, die zich uitstrekten over een zeeoppervlak van
verscheidene duizenden meters. De holbewoners verkochten het muiltje aan het
koninkrijk T’o Huan, waar het weer zijn weg naar de koning vond. De koning liet
het de vrouwen van zijn huishouding aanpassen, doch het muiltje paste niemand.
De koning verdacht de inboorling die het
muiltje had gebracht, ervan, het uit twijfelachtige bronnen te hebben; hij liet
de man gevangennemen en martelen. De ongelukkige man kon echter niet zeggen van
wie het muiltje afkomstig was. Ten slotte werd het aan de openbare weg neergezet
en koeriers gingen van huis tot huis om diegene te arresteren die het tweede
muiltje bezat.
Alle huizen werden doorzocht en Yeh Shen
werd gevonden. Zij werd gedwongen de muiltjes aan te trekken en zij pasten haar
precies. Zij verscheen in haar groenzijden jurk en op de muiltjes en zij zag
eruit als een godin. Dit rapporteerden men de koning en hij bracht Yeh Shen naar
zijn tehuis is zijn eilandenrijk, tezamen met de visgraten.
Nadat Yeh Shen het holengebied had
verlaten, werden de moeder en de zuster gedood door rondvliegende stenen. Het
holenvolk had medelijden met hen, legden hen in een groeve en richtte een
graftombe op, die hen noemde: “de graftombe der spijtige vrouwen”. De
inboorlingen vereerden hen als de godinnen van het huwelijk en welke vrouw dan
ook, als zij hun een gunst vroeg het huwelijk betreffend, was zij overtuig dat
haar wens vervuld werd.
De koning keerde naar zijn eiland terug
en maakte Yeh Shen tot zijn hoofdvrouw. Gedurende het eerste jaar van hun
huwelijk vroeg hij de visgraten zoveel jade en kostbare dingen, dat deze
weigerden zijn wensen nog verder in te willigen. Nu nam hij de graten en begroef
ze dichtbij zee met een honderd schepels parels, gevoerd met een gouden rand.
Toen zijn soldaten tegen hem in opstand kwamen, ging hij naar de plek, doch de
vloed had alles weggespoeld en tot op deze dag is er niets van teruggevonden.
Deze geschiedenis werk mij
verteld door een oud dienaar van de familie Li-Shih-yuan. Hij stamt af van het
holenvolk (de inboorlingenstammen) van Yangchow af en herinnert zich vele
vreemde verhalen uit het zuiden.
(Bron: Lin Yutang, beroemde Chinese
verhalen; foto rode vis: jup compagny)
--
De gefopte vos



Iedereen
heeft een hekel aan de vos. De vos is gemeen en sluw en hij neemt altijd
iedereen te pakken. Er is niemand in het bos die de vos niet heeft beet gehad.
Iedereen wil het de vos zo graag betaald zetten, maar het is nog niemand gelukt.
De vos is iedereen te slim af en heeft het altijd door als je een grap met hem
uit wil halen. Maar er was een aap die de vos zo graag te pakken wilde nemen dat
hij niets anders meer deed dan sluwe dingen verzinnen om de vos eens goed te
grazen te nemen. Hij ging in een boom zitten. Daar bleef hij heel lang, net
zolang totdat hij een meesterplan had bedacht.
Snel ging hij naar beneden en rende naar de haas. De haas woonde gelukkig
dichtbij, in een holletje in dezelfde boom. Hij vertelde de haas zijn plan. De
haas was razend enthousiast. 'Dus,' zei de aap tegen de haas, 'als jij nou
bovenop die heuvel gaat zitten, komt alles verder goed.'
Daarna ging de aap naar het hol van de vos. Daar zei hij tegen de vos: 'Vos,
weet je wel wat het allerlekkerste eten op de wereld is?' De vos hield van eten
dus hij luisterde aandachtig. 'Dat is het achterste van een paard. Ik heb het
gister zelf gegeten! Maar, je kunt het maar op één manier krijgen. Je moet je
staart aan de staart van een paard knopen. En dat moet zo'n stevige knoop zijn
dat het niet losgaat als het paard schrikt en begint te rennen!' De vos was een
beetje argwanend. Toen zei de aap dat hij net nog een paard had gezien dat in
slaap was. 'Nee hoor,' zei de vos, 'ik geloof er helemaal niks van. Ik ga en
jouw zwam verhalen doen me helemaal niks.'
De vos draaide zich om en liep weg. De aap ging
ook weg. Hij ging in een boom zitten, vlakbij het paard dat sliep. Wat de aap
gedacht had, gebeurde ook.
Nog geen tien minuten later kwam de vos terug. Hij was met een omweggetje naar
de plek gegaan waar het slapende paard lag. De vos stond likkebaardend voor het
paard. Toen maakte hij zijn eigen staart met een knoop vast aan de staart van
het paard. Hij nam een grote hap uit de paardenbil.
Op het moment dat de vos zijn tanden in het paard
had gezet, werd het paard met een schok wakker. Hij stond direct op, hinnikte en
galoppeerde heel hard weg. De vos had allang het paard losgelaten, maar zijn
staart zat nog aan de staart van het paard.
Kilometers lang werd hij meegesleurd. 'Au, au, stop toch, alsjeblieft!' was er
in het hele bos te horen. Toen het paard eindelijk stil stond was de rug van de
vos helemaal kapot en zijn bek zat vol zand en modder.
De
aap had alles kunnen zien vanuit zijn plekje in de boom. Op het moment dat het
paard weg galoppeerde, begon de aap te dansen en te springen van blijdschap.
Maar de takken van de boom konden dat niet aan. De aap viel uit de boom en kwam
heel hard neer op zijn kont.
Ook
de haas had alles gezien vanaf de heuvel. Hij moest zo hard lachen toen hij zag
dat de vos door het paard gesleept werd, dat zijn bovenlip scheurde.
Sinds die tijd hebben apen een rode kont en hazen gespleten bovenlippen. En
paarden gaan maar éven op de grond liggen als ze moe zijn en zorgen ervoor dat
ze niet helemaal inslapen. De vossen hebben sinds die dag vlekken op hun pels.
--
De grafschenner
In Hangtsjou was een man die
Dzjoe heette. Hij leefde van het beroven van graven. Hij had een stuk of zes,
zeven gezellen om zich heen verzameld. In het holst van de nacht, als alles
zwart en duister was, namen ze hun houwelen ter hand en zwierven door de
omgeving. Ze waren er ontevreden over dat ze veel meer dorre beenderen vonden
dan goud en zilver. Daarom maakten ze een geestenaltaar om erachter te komen
waar er schatten verborgen lagen.
Op
een dag naderde de bergkoning het altaar en gaf hun de volgende spreuk:
‘jullie openen graven en steelt de haven van de doden. Dat is erger dan roof
en diefstal. Als jullie hier geen verandering in brengen, zal ik jullie het
hoofd laten afslaan.’
Dzjoe
schrok uitermate en gaf zijn beroep op, meer dan een jaar lang. Maar omdat zijn
gezellen niets hadden om van te leven, verleidden ze hem ertoe de geesten
nogmaals op te roepen. Om het nog een keer te proberen, deed hij zoals gezegd.
Er naderde een geest die sprak: ‘ik ben een watergeest van de Westzee. Daar
staat een pagode met aan de voet ervan een stenen bron. Westelijk daarvan ligt
het graf van een rijk man. Dat kunnen jullie openen en je zult duizend
zilverstukken vinden.’
Dzjoe
was zeer verheugd en ging met zijn gezellen, de houweel op zijn schouder,
erheen. Overal zochten ze naar de stenen bron, zonder hem te vinden. Terwijl ze
rondzwierven, was het alsof een stem hun in het oor fluisterde: ‘is dat niet
een bron, daaronder de wilgenboom ten westen van de pagode?’ Ze zochten en een
vonden dichtgegroeide, droge bron. Ze groeven drie, vier voet diep en stieten op
een stenen sarcofaag*, die buitengewoon groot was. Maar hoe de gehele bende zich
ook inspande, ze konden hem niet optillen. Toen spraken ze tot elkaar: ‘in het
klooster van de stilte is een bonze die een toverspreuk heeft, waardoor men
ijzeren staven kan laten vliegen. Als men die honderd keer zegt, dan zal de
sarcofaag vanzelf opengaan.’
Ze
gingen naar de bonze en beloofde hem een deel van de buit. De bonze was ook een
schurk. Toen hij hun woorden hoorde, kwam hij toegelopen. Hij zei zijn
toverspreuk meer dan honderd keer en de sarcofaag ging een beetje open. Toen
strekte zich een zwarte arm uit van wel een vadem lang die de bonze in de
sarcofaaf trok, hem aan stukken scheurde en opvrat dat vlees en bloed in het
rond spatten en met doffe klappen op de grond vielen. Dzjoe en zijn bende liepen
van schrik alle richtingen uit. Toen ze de volgende dag terugkwamen om nog eens
te kijken was er nergens een bron te zien.
In
het klooster van de stilte miste men een bonze. Allen wisten dat Dzjoe hem
geroepen had. Ze klaagden Dzjoe bij de rechter aan. Dzjoe verloor bij de
rechtszaak zijn gehele vermogen en verhing zich tenslotte in de kelder.
* Het woord 'sarcofaag'
komt van het Griekse woord 'sarkophagos' (Σαρκοφαγοσ).
Dit betekent letterlijk 'vlees etend'. Dit slaat op het Hellenistische (Griekse)
idee dat de steen die voor de doodskisten gebruikt werd, in feite de inhoud
ervan consumeerde.
--
De hoge plaats van
dubbel 9
De hoge plaats van dubbel 9 Heel
lang geleden leefde er in het district Runan iemand die Heng Jing heette. Zijn
beide ouders waren nog in leven en hij had vrouw en kinderen. Met zijn allen
leefden ze van een paar kleine schrale akkers die ze ijverig bewerkten, en ook
al hadden ze het niet breed, toch hadden ze genoeg te eten om zich erdoorheen te
slaan. Maar onverwachts werden ze door het ongeluk getroffen. Langs beide oevers
van de rivier de Ru brak de pest uit en iedereen werd daarmee besmet. De lichte
gevallen moesten het bed houden, de zware gevallen verloren hun leven. Lijken
lagen overal, want er was niemand om ze te begraven. In dat jaar stierven ook de
ouders van Heng Jing aan die ziekte.
Al in zijn jeugd had Heng Jing volwassenen horen vertellen dat er in de rivier
de Ru een pestspook woonde dat ieder jaar te voorschijn kwam om rond te waren
tussen de mensen, en waar hij kwam, daar bracht hij de besmettelijke ziekte van
de pest met zich mee. Toen Heng Jing van zijn ziekte was hersteld was hij
vastbesloten een leraar te zoeken die hem zou kunnen leren het pestspook te
verslaan en zo het volk te bevrijden van deze plaag. Toen hij hoorde vertellen
dat er in de zuidoostelijke bergen een onsterfelijke woonde die Fei Changfang
heette, pakte hij meteen wat kleren bij elkaar en trok de bergen in om hem te
zoeken. Toen Heng Jing het gebergte was binnengetrokken had hij geen enkel idee
waar, tussen de honderden pieken en duizenden toppen, de onsterfelijke zou
wonen. Maar zonder de ontberingen te vrezen zocht hij de ene berg na de andere
af en stak hij de ene beek na de andere over. Toen hij op een dag zo verder trok
zag hij opeens een sneeuwwitte duif voor zich staan, die onophoudelijk naar hem
knikte. Heng Jing wist niet waarom, maar hij beantwoordde de groet. Plotseling
vloog de duif op om een meter of vijf, zes verderop weer neer te strijken en
opnieuw onophoudelijk naar Heng Jing te knikken.
Toen
Heng Jing dichterbij kwam, vloog de duif weer op. Heng Jing had het nu begrepen
en hij volgde de duif steeds verder. Toen ze nog enkele bergen waren
overgetrokken kwamen ze op een plaats waar tussen de donkere dennen en groene
cipressen een oude tempel stond, en op het langwerpige bord boven de poort van
de tempel stond in gouden karakters geschreven: "Woning van de
onsterfelijke Fei Changfang". De duif liet Heng Jing in de steek om in de
lucht boven de binnenplaats koerend rond te vliegen.
Toen Heng Jing bij de poort kwam, bleek de zwartgelakte deur stevig gesloten.
Vervuld van zijn oprechte verlangen knielde hij buiten voor de poort neer, en
hij waagde het niet ook maar een vin te verroeren. Hij bleef daar twee dagen en
twee nachten onafgebroken liggen tot op de derde dag plotseling de poort werd
geopend. Hij zag een oude man met witte haren, die vriendelijk glimlachend tegen
hem zei: "Mijn discipel, u bent oprecht in uw verlangen het volk van een
plaag te bevrijden.
Volg mij naar de binnenplaats."Heng Jing besefte dat dit de grote
onsterfelijke Fei Changfang was en na enkele malen voor hem gebogen te hebben
volgde hij hem naar binnen. Fei Changfang schonk Heng Jing een "groene
drakenzwaard ter onderwerping van demonen"en Heng Jing oefende daarmee van
de vroege ochtend tot de late avond, en zelfs tot diep in de nacht, zonder zich
om het uur van de dag te bekommeren. Op een dag, toen Heng Jing aan het oefenen
was, kwam Fei Changfang op hem toe en zei: "Dit jaar, op de negende dag van
de Negende Maand, zal het pestspook van de rivier de Ru weer te voorschijn
komen. Jij moet nu dadelijk naar je dorp terugkeren om het volk van de plaag te
bevrijden. Ik geef je een bundel kornoeljebladeren en een fles chrysanten wijn.
Laat de ouden van je dorp het gevaar ontlopen door een hoge plaats te
bestijgen."Toen de onsterfelijke was uitgesproken gaf hij een teken met
zijn hand en zijn kraanvogel kwam met gespreide vleugels uit een oude cypres
aanvliegen om neer te strijken voor Heng Jing.
Heng Jing zette zich schrijlings
op de rug van de kraanvogel en vloog naar Runan. Nadat Heng Jing naar zijn dorp
was teruggekeerd, verzamelde hij zijn verwanten en vertelde hij aan iedereen wat
de onsterfelijke tegen hem had gezegd. Op de negende dag van de Negende Maand
besteeg hij met zijn vrouw en kinderen, zijn verwanten en de oudsten van het
dorp een heuvel in de buurt. Hij deelde aan iedereen een kornoeljesblad uit en
legde uit dat als ze dat op hun lichaam droegen het pestspook hen niet zou
durven benaderen. Bovendien gaf hij iedereen een slok chrysantenwijn en legde
uit dat ze niet door de pest besmet konden worden wanneer ze deze chrysantenwijn
hadden gedronken.
Nadat hij zo voor zijn verwanten had gezorgd, ging hij met zijn groene
drakenzwaard ter onderwerping van demonen terug naar huis, waar hij geheel
alleen in zijn kamer bleef zitten wachten op de komst van het pestspook om dat
monster in een gevecht te kunnen onderwerpen. Niet lang daarna hoorde hij opeens
de rivier de Ru woedend tekeergaan terwijl een woeste wervelwind opstak. Het
pestspook kwam uit het water en liep de oever op.
Hij trok door de dorpen, maar in geen enkel huis zag hij ook maar iemand, totdat
hij, toen hij toevallig omhoog keek, zag dat de mensen zich allemaal bovenop de
hoogste heuvel hadden verzameld. Hij sloop naar de voet van de berg, maar de
lucht van de wijn stak in zijn neus en de sterke geur van de kornoelje
verscheurde zijn longen zodat hij niet dichterbij durfde te komen om de berg te
beklimmen, en hij zich weer omdraaide en het dorp binnenliep. Toen hij daar één
man rechtop gezeten in zijn kamer zag wachten, slaakte hij een kreet en stortte
zich op hem. Zodra Heng Jing het pestspook op zich zag toestormen, ging hij de
strijd met hem aan door zijn zwaard te laten dansen. Toen ze een aantal ronden
hadden gestreden bleek het pestspook hem niet te kunnen overwinnen en sloeg het
op de vlucht. Met een zwaai wierp Heng Jing hem het groenedrakenzwaard ter
onderwerping van demonen achterna. Het zwaard, een koud licht uitstralend, bleef
het pestspook achtervolgen tot het pestspook, in hart en buik doorstoken en
doorboord, dodelijk gewond ter aarde stortte. Van toen af aan had de bevolking
langs de beide oevers van de rivier de Ru niet meer te lijden onder het
pestspook, en de mensen vertelden elkaar van vader op zoon en van zoon op
kleinzoon door, tot op de dag van vandaag, het verhaal van hoe men op de negende
dag van de Negende Maand het gevaar ontlopen was door een hoge plaats te
beklimmen en hoe Heng Jing met zijn zwaard het pestspook had vermoord!
(Bron: www.beleven.org)
--
De Keizer en de Chinese nachtegaal
Er was eens... een oude Chinese keizer. Hij woonde
in China in het prachtigste paleis van de hele wereld. De deurknoppen waren van
puur goud. En alles was gemaakt van het kostbaarste porselein. De muren, de
daken, ja, zelfs de troon van de keizer was van porselein . Je begrijpt
natuurlijk wel, dat iedereen in het paleis op vilten pantoffeltjes liep. Zo
glibberden ze voorzichtig door de gangen. De kinderen vonden dat geweldig! Want
als je een aanloopje nam, dan kon zó de hele paleisgang doorglijden. Niet dat
dat de bedoeling was natuurlijk. Maar ja.
Aan het paleis grensde de paleistuin. Ook deze
tuin was een wondertje van schoonheid. De tuin was zo groot, dat niemand wist
waar de tuin eigenlijk ophield. Zelfs de tuinman wist dat niet. Wel wist hij
dat, als je een halve dag je neus achterna liep, je bij een groot, donker woud
kwam. Op een open plek in dit woud stonden drie blauwe sparren. En in één van
de sparren woonde een nachtegaal. En die nachtegaal kon zingen! Hij zong zo
mooi, dat de tranen je na een tijdje over de wangen biggelden. Zonder dat je het
merkte.
Vanuit
de hele wereld kwamen mensen naar het hof van de keizer om zijn prachtige paleis
en zijn beeldschone tuin te bewonderen. Ze riepen "OH!" en kijk daar
eens!" Of ze waren gewoon stil van al het moois dat ze aanschouwden. Maar
over één ding waren ze het allemaal eens: het allermooiste was het gezang van
de nachtegaal. Daar kon niets tegen op. Weldra was de nachtegaal bekend in de
hele wereld. Geleerden schreven dikke boeken over het paleis en de wonderlijke
nachtegaal. Dichters dichten over de nachtegaal. Op een dag kwam één van die
gedichten in de handen van de keizer, die in zijn pyjama een kopje Chinese thee
zat te drinken. Tevreden bladerde hij in een boek. Het boek ging over de
schoonheid van het paleis... nou, dat las hij graag. Opeens werden zijn ogen zo
rond als schoteltjes. "Nachtegaal?", riep hij. "Ik weet van geen
nachtegaal. Moet ik in een boek lezen dat er een bijzondere nachtegaal in mijn
tuin zingt! Hofmaarschalk" brulde hij razend. Daar kwam de hofmaarschalk al
aanhollen. Deze man, deze hofmaarschalk, vond zichzelf zo deftig, dat hij nooit
het woord tot iemand van mindere afkomst richtte. Het was een echte klier, die
hofmaarschalk.
"Waarom weet ik niets over dei nachtegaal
die in mijn tuin leeft?" "Nachtegaal?", sprak de hofmaarschalk.
"Puh! Die ken ik niet. Die is nog nooit aan het hof voorgesteld!"
"Ik wil dat die nachtegaal hier vanavond komt zingen! Zorg dat je hem
vindt!" De hofmaarschalk snelde het keizerlijke vertrek uit. Op zijn vilten
pantoffeltjes haastte hij zich door het paleis. Hij vroeg het aan iedereen die
hij tegenkwam of ze weleens van een nachtegaal hadden gehoord. Hij vroeg het aan
de dokter en aan de advocaat. Aan de hoofdkok en aan de opperstalmeester. Hij
vroeg het zelfs aan de keukenmeid. Maar niemand wist er iets van. Gerustgesteld
keerde hij terug naar de keizer. "U moet niet alles geloven wat u leest,
Sire, die vogel bestaat niet", sprak hij ferm. "Drommelse
lakei!", barstte de keizer uit. "Pardon Sire, ik ben uw
hofmaarschalk!" Maar de keizer luisterde niet. "Dat boek waar ik dit
in heb gelezen, kreeg ik van de keizer van Japan. En die liegt niet. Heb je dat
gehoord? Ga die vogel voor me zoeken. En is hij er vanavond niet, dan zal mijn
hele hofhouding vanavond gekieteld worden. Heel lang. Direct na het eten!",
vervolgde hij grimmig.
Even later was het een drukte van belang in het
paleis. Want nu haastte de hele hofhouding zich op de vilten pantoffeltjes door
het paleis. Want gekieteld worden, direct na het eten? Nee. daar had niemand zin
in. "Naaaaachtegaal, naaaaachtegaal!", hoorde je door het paleis.
Uiteindelijk bereikte dit geroezemoes een klein keukenmeisje met brutale
vlechten sproeten op haar neus. "Nachtegaal?", zei ze.
"Natuurlijk ken ik die. Ik breng 's avonds altijd wat etensrestjes naar
mijn arme moeder en als ik dan door het bos loop, dan hoor ik hem. Hij zingt
zo mooi, dat ik ervan moet huilen."
"Geweldig! Ik bevorder je tot
hulpkokkin!", riep de hofmaarschalk. "En je mag één keer per week de
keizer zien eten als je me nú naar die nachtegaal brengt!" Daar had het
meisje wel oren naar. De etende keizer kon haar gestolen worden, maar
hulpkokkin! Dat had ze har hele leven al willen zijn!
En daar gingen ze het bos in. Het kleine meisje
met de vlechten, de hofmaarschalk en de hele hofhouding. Voor de gelegenheid
hadden ze hun slofjes omgewisseld voor leren laarzen, want je weet het maar
nooit in zo'n bos!
Onderweg hoorden ze heel vaag in de verte een koe
loeien. "Oh", kirde een hofdame. "Nachtegaal! Hoe mooi!"
"Dat is slechts een koe, mevrouw", zie het meisje. "Een roodbonte
als ik me niet vergis." Even later zei de hofmaarschalk: "Maar nu hoor
ik hem toch heus. Tjonge, het lijkt wel een heel koor!" "Dat zijn de
kikkers, meneer", glimlachte het meisje. Even later hoorden ze het: een
beeldschoon gezang klonk door het groen. Iedereen stond stil om te luisteren.
Daar! Daar zit hij, wees het meisje met de vlechtjes. "Ach, wat een
eenvoudige verschijning", sprak de hofmaarschalk teleurgesteld. "Wat
is hij grijs en grauw!" Het meisje deed alsof ze de maarschalk niet hoorde.
"Oh nachtegaal", riep ze, "wil jij zingen voor de keizer?"
"Met het grootste plezier", tjilpte de nachtegaal en hij liet een paar
trillers horen. "Eerwaarde nachtegaal", zei de hofmaarschalk, "De
keizer is niet hier. Hij nodigt u uit om vanavond op het hof te komen zingen. En
dat is een hele grote eer, weet u!" "Om eer geef ik niet", zei de
nachtegaal. "Maar ik zal voor uw keizer zingen."
Het paleis was versierd met lampionnen en
gekleurde slingers. En de keizer had zich nog eens goed laten oppoetsen in de
tobbe. Glimmend van de zeep zat hij op zijn porseleinen troon. De hele
hofhouding was aanwezig. Toen zong de nachtegaal. Hij zong zo prachtig, dat de
tranen van ontroering de keizer in de ogen schoten. De nachtegaal zong en zong
en zong. Iedereen voelde zich tot op het diepste van zijn ziel geraakt.
"Wat mooi", zuchtte de keizer. "Nachtegaal, hoe kan ik je
belonen?" De nachtegaal sprak beleefd: "Mijn mooiste beloning zijn de
tranen in uw keizerlijke ogen, meer wens ik niet!"
Vanaf die tijd moest de nachtegaal aan het
hof blijven en kreeg hij een eigen gouden kooi, waar hij drie keer per dag uit
mocht. Dan gingen er twaalf bedienden met hem mee, die allen een zijden lint
vasthielden dat aan één van zijn pootjes was vastgebonden. Tja, veel meer
plezier was er niet te beleven voor de nachtegaal.
Op een dag kwam er een groot pakket voor de
keizer. "Kijk, weer een boek over mijn beroemde nachtegaal", mompelde
hij. Maar het was geen boek. Het was een gouden, nagemaakte nachtegaal, bezaaid
met de kostbaarste juwelen en robijnen. Er zat een lintje om zijn hals en daarop
stond
geschreven:
de nachtegaal van de keizer van Japan is nietig vergeleken bij
die van de keizer van China
Je kon de vogel opwinden en dan zong hij nét als
de echte nachtegaal, terwijl zijn zuiver gouden staartje op en neer wipte. Het
was werkelijk een alleraardigst tafereel. De keizer klapte in zijn handen van
vreugde. "Nóg een nachtegaal, ze moeten samen zingen. Een duet!" Maar
dat ging niet zo gemakkelijk. Want de echte nachtegaal zong gewoon waar hij zin
in had, terwijl de kunstnachtegaal steeds hetzelfde Japanse slaapliedje zong.
Het was niet om áán te horen "Laat de kunstvogel alleen zingen", zei
de hofkapelmeester. En iedereen luisterde vol bewondering naar de klanken van de
kleine kunstvogel. "Laat nu de echte nachtegaal maar eens wat zingen. Dan
kunnen we ze vergelijken." Maar die vogel was gevlogen. Door het open raam.
De donkere nacht in.
"Ach, we hebben hem niet nodig", zei de
hofmaarschalk die altijd een beetje jaloers was geweest op de nachtegaal die
zoveel aandacht kreeg. En hij begon een lange toespraak waarin hij zei dat de
nepnachtegaal veel beter, mooier en betrouwbaarder was dan de echte nachtegaal.
Nou, daar was iedereen het snel over eens. "Toon hem aan het volk! Iedereen
moet de nachtegaal horen!", riep de keizer. Het volk juichte van
enthousiasme.
Ze klapten in hun handen, zeiden "YES" in het Chinees en keken elkaar
ontroerd aan. De kunstnachgaal kreeg een zijden kussen naast het keizerlijk bed.
Elke avond en ochtend liet de keizer de vogel zingen. En als hij 's nachts de
slaap niet kon vatten, dan liet hij de kunstvogel zingen tot hij met een
glimlach om zijn mond in slaap viel.
Op een dag gebeurde er iets
verschrikkelijks. De keizer lag in bed naar zijn kunstnachtegaal te luisteren
toen: Kloink. Krrr... krrr... krak. Er spring een metalen veer uit
het vogeltje en het was stil. Doodstil. De keizer liet onmiddellijk de hofdokter
komen, maar ja, deze kon niet veel beginnen met zijn pilletjes en poedertjes. En
de keizerlijke horlogemaker kreeg er na een nacht lang prutsen alleen de eerste
twee tonen uit.
De keizer was ontroostbaar. Hij was zo
overweldigd door verdriet dat hij ziek werd. Heel ziek. De mensen in het paleis
durfden alleen maar fluisterend over de keizer spreken. En het volk leefde in
angst en beven, want iedereen hield van de keizer.
Bleek, koud en slapjes lag de keizer in zijn bed. Men fluisterde dat hij
misschien al dood was, maar niemand durfde gaan kijken.
Maar de keizer was niet dood. Hij tuurde door
zijn wimpers heen naar de man, die door het open raam naar binnen scheen. Hij
kon bijna geen adem halen. Toen hij zijn ogen open sloeg, zag hij waarom: op
zijn borst zat de dood in eigen persoon. De dood had de gouden keizerkroon op
zijn hoofd, het keizerlijk vaandel in zijn ene en het keizerlijk zwaard in zijn
andere hand. Het was een gruwelijke aanblik. En uit de plooien van de gordijnen
staarden vreemde gezichten hem aan. Er waren aardige gezichten bij, maar ook
monsterlijke; dit waren de goede en de slechte daden die de keizer in zijn leven
had verricht. De vriendelijke gezichten zeiden: "U was een goede
keizer!" Maar de monsterlijke gezichten spraken veel harder. "Weet u
nog u gemeen u toen was... En weet u dit nog, en dit en dit?" Steeds
harder schreeuwden ze de keizer zijn zonden toe. De keizer drukte zijn handen
tegen zijn oren. "Nee! Was ik zo slecht? Het spijt me. Dit kan ik niet meer
horen. Muziek! Muziek! Och vogel", sprak hij tot de kunst nachtegaal.
"Zing toch. Alles zal ik je geven!" Maar de kunstvogel bleef zwijgen.
"Goed", sprak de keizer. "Geen muziek meer in mijn leven. Dan
moet ik maar dood." En het werd stil in de kamer. Doodstil...
Tot er opeens een parelend geluid weerklonk. Het
was de kleine grauwe nachtegaal. Hij zong, hij zong en zong... zo prachtig dat
de geesten verbleekten en de keizer weer wat kleur op zijn wangen kreeg. Zelfs
de dood luisterde. "Zing toch door", riep de dood toen de nachtegaal
even zweeg. "Alleen als je dat gouden zwaard van de keizer geeft, en het
keizerlijk vaandel en de gouden kroon", sprak de vogel. Dat deed de dood.
De nachtegaal zong toen over het verre kerkhof, waar de maan de grafzerken
beschijnt, waar de lelies geuren en waar het gras doordrenkt is van
mensentranen. De dood kreeg zo'n verlangen naar her kerkhof, dat hij als een
koude witte nevel door het open raam naar buiten vloog.
"Mijn eeuwig dank, nachtegaal", sprak
de keizer met tranen in zijn ogen. "Hoe kon ik zo wreed zijn. Ik heb je uit
mijn rijk verbannen en nu red je mijn leven. Hoe kan ik je belonen?"
"U hoeft mij niet te belonen", tjilpte het vogeltje. "U heeft mij
beloond toen ik de eerste keer dat ik zong tranen in uw ogen zag. Ga nu slapen
en word weer beter. Ik zal voor u blijven zingen." En terwijl de nachtegaal
zong, viel de keizer in slaap.
Toen de eerste zonnestraaltjes door het raam naar
binnen schenen, werd de keizer verkwikt wakker. "Je mag me nooit meer
verlaten", zei hij. "Ik heb mijn nestje in het bos", sprak de
vogel. "Maar ik zal komen wanneer u maar wilt. Dan zal ik zingen over het
goed en het kwaad en over vreugde en verdriet in uw rijk. Want ik kom overal,
bij de rijke keizer en de arme houthakker in het bos, Alleen één ding moet u
mij beloven." "Wat je maar wilt", riep de keizer uit.
"Vertel nooit dat het een kleine vogel is, die u de geheimen van uw rijk
vertelt. Dan kunt u nog heel lang rechtvaardig en goed regeren." "Dat
beloof ik", zei de keizer.
Toen ging de deur zachtjes open. De hofmaarschalk
en de kamerdienaren kwamen binnen om afscheid te nemen van de dode keizer, maar
de keizer zei vrolijk "goedemorgen".
--
De
parelvisser
Er was eens een oude visser in
China. Het was een arme visser en hij had een vrouw en maar 1 zoon, Siu. Het
leven op de sampan was zwaar. Er waren heel veel vissers en de vangsten waren
niet altijd zo goed.
Op een dag riep de oude visser zijn zoon bij zich. De oude man voelde zich al
een aantal dagen niet goed en hij voelde dat zijn einde nabij was. 'Zoon', sprak
de oude man 'Ik voel dat ik niet lang meer te leven heb. Het leven is altijd te
kort om er echt wat van te maken. Maar ik heb een aantal dingen geleerd in mijn
leven! Ik heb niet veel dat ik je kan nalaten maar er is één ding dat heel erg
belangrijk is. Je moet het weten! Zorg goed voor de vogel! Zolang de vogel in je
bezit is zul je het goed hebben. Ik weet het pas sinds kort, maar ik weet het
zeker. Zorg er goed voor!' De zoon keek zijn vader verwart aan. 'U bedoelt dat
beest in die kooi die buiten onder het afdak hangt? Hoe bedoeld u dat ik daar
goed voor moet zorgen?'. De oude man kucht en herhaald: 'Zorg er goed voor! Het
is het enige dat je zult erven, maar het is van onschatbare waarde!'
De volgende dag zeilde Siu uit om
die dag aan de riviermonding zijn netten uit te gooien. Het was mooi weer maar
veel vis zat er niet in de netten. Met maar een kleine vangst kwam hij 's avonds
aan de afslagsteiger. 'Als dat nog langer zo door gaat moet ik toch maar eens
wat anders proberen.' sprak hij in zichzelf, 'Laatst hoorde ik van een
parelvisser dat de zaken daar boven verwachting gaan. Maar ja, daarvoor heb ik
wel wat geld nodig anders krijg ik dat nooit klaar.'
Toen Siu 's avonds laat thuis kwam en zijn boot naast die van zijn vader
afmeerde merkte hij meteen dat er iets mis was. Zijn moeder was er niet om hem
te verwelkomen. Toen hij de kleine kajuit van zijn vaders boot binnenstapte
hoorde hij zijn moeder zachtjes huilen. Hij kwam wat dichter bij en zag het
bleke gezicht van zijn vader.
De volgende morgen voer Siu niet uit. Hij moest de voorbereidingen treffen voor
de ceremonie van zijn vader. De hele familie moest worden gewaarschuwd en er
moest hout komen en eten en drinken en er moest een bericht naar de wal. Siu had
het druk met al dat geregel. En hij had niemand die hem erbij kon helpen want
hij was de enige zoon.
Twee dagen later zat Sui op het
achterdek van zijn sampan en dacht terug. Alles was goed gegaan. Zijn vader was
in het kleine bootje vol takken en vuur langzaam de zee opgedreven. Na enige
tijd had het vuur het bootje zo verwoest dat het geheel langzaam en met veel
gesis was gezonken. Het enige wat nog over was, waren de gedachten aan de oude
visser. Toen herinnerde Siu zich opeens het laatste gesprek met zijn vader.
'Zorg goed voor de vogel, zorg goed voor de vogel!.' 'O jee de vogel. Die had al
een aantal dagen geen eten meer gehad.'
Hij ging meteen naar de boot van zijn moeder en zag dat zijn moeder met de
vogelkooi op schoot zat. Zij was de vogel niet vergeten. De vogel floot een
vrolijk liedje en had het schijnbaar erg naar zijn zin. Toen zijn moeder hem zag
reikte ze hem de kooi aan en zei. 'Je vader wilde dat je de vogel zou krijgen
als hij was overleden. Neem hem van mij over en zorg er goed voor.'
Bij zonsopgang vertrok Sui de volgende morgen weer naar zee. Het was heet die
dag. De zon scheen en er leek weer een slechte visvangst op komst. De vogel had
het echter prima naar zijn zin. Hij zat in zijn kooi onder het afdakje en floot
alsof zijn leven ervan af hing. Tot grote verbazing van Sui had hij een heel
goede dag. Het leek wel alsof de vis om zijn boot bleef hangen. Elke keer als
hij zijn net uitwierp zat die vol met vis en hij moest vroegtijdig terug naar de
afslag omdat de boot de vracht niet meer kon houden. Dat ging zo een aantal
dagen door en Siu had al snel het bedrag bij elkaar dat hij nodig had om
Parelvisser te worden.
Zijn moeder had zo haar twijfels.
Doe het nou niet had ze een aantal keren tegen Siu gezegd, maar Siu was
vastbesloten. In de parelvisserij lag zijn toekomst. Hij verkocht zijn netten en
vislijnen en voer uit. De parelvissers waren niet blij met de komst van Siu. Nog
een concurrent. Er ontstond zelfs een kleine ruzie toen de parelvissers
ontdekten dat de onervaren jongen aan het einde van de dag met een grotere oogst
thuiskwam. Het ging Siu goed. Het duurde niet lang of hij had een vermogen
verdiend met het parelvissen.
Tijdens een rondreis over de landerijen ontmoette hij een leuke boerendochter.
Hij trouwde en ging aan wal wonen. Dat was heel bijzonder, dat deed een visser
nooit. Maar Siu dacht, 'Zo kan ik mijn lieve moeder toch nog een onbezorgde oude
dag bezorgen.' Hij kocht een huis in ShiYan, midden tussen de landerijen van
zijn schoonvader en liet zijn moeder overkomen.
De vogel kreeg een mooie plaats in de kamer. Maar toch voelde Siu zich vanaf het
moment dat hij het huis betrok niet prettig. Het was een prachtig huis en hij
had een lieve vrouw en zijn moeder had het prima naar haar zin, maar er was iets
niet in orde. Het vogeltje floot niet meer ondanks zijn prachtige kooi en al het
overheerlijke voer. Siu voelde zich ondanks alle geluk zelf ook erg bedroefd en
het leek wel alsof niets meer wilde lukken. Tot overmaat van ramp stierf de
kleine vogel een maand nadat hij in het huis was komen wonen.
Siu wilde weg van deze prachtige plek. Hij voelde
diep in zich een drang om op reis te gaan. Hij liet zijn vrouw en zijn moeder
in het huis achter en ging op reis. Zijn gevoel zei dat hij naar het noordoosten
moest reizen. De mensen onderweg waren vriendelijk en hulpvaardig. In Song gang
zag hij een jongen langs de kant van het pad. Hij lag in de schaduw van een
grote boom onder een deken te slapen. Siu ging naast hem zitten en de jongen
kwam onder zijn deken vandaan. Hij was niet erg spraakzaam en scheen erg veel
moeite te hebben met het uitbrengen van de woorden. Siu gaf de jongen wat droge
vis uit zijn ransel. Samen aten zij en met handen en voeten kwam een gesprek op
gang. De jongen maakte met zijn vinger tekeningen in het zand en Siu maakte
gebaren met zijn handen. Na een lange gezellige middag wilde Siu maar weer eens
verder. Maar voor hij ging drukte de jongen hem een stukje doek in de handen.
Daarop waren een aantal Chinese tekens te zien, maar Siu kon de tekens niet
lezen. De jongen maakte hem duidelijk dat hij naar Daliang moest gaan en wees
met zijn arm in noordoostelijke richting.
Die avond sliep Siu in een gasthuis in Song-gong. Hij voelde zich gelukkig en
sliep als een roos. Van de huisbaas hoorde hij dat hij alleen in Daliang kon
komen door eerst naar Kanton te reizen. Het was geen moeilijke reis. De weg liep
door een gebied met veel landbouw en bij de boeren kon hij altijd wel iets te
eten kopen.
Van Houjie ging het naar Dongguan en vandaar naar
Xintang. Daar ontmoette hij een oude man toen hij achter een bak met rijst met
vis en groente zat. Siu vertelde hem waarom hij op reis was gegaan en hoe het
hem tot nu toe was verlopen. De oude man luisterde vol aandacht en aan het einde
van de avond zei hij tegen Siu. 'Je hebt een lap van de jongen gekregen. Daarop
staat in oud Chinees dat je de vogel moet kopen die je op de markt van Daliang
wordt aangeboden.' Siu kijkt de man vol verbazing aan. Hoe weet deze man dat hij
een doek heeft gekregen van de jongen en hoe weet hij wat daar op staat? De man
staat op en loopt weg. Siu loopt er achter aan maar kan hem niet meer inhalen,
hoe hard hij ook loopt. Opeens is de oude man verdwenen en Siu keert terug naar
de herberg.
De volgende dag komt hij aan in Kanton. Het is een grote drukke stad vol mensen
en dieren. De mensen zijn er vriendelijk maar ook waakzaam. Er lijkt wat in de
lucht te hangen en tijdens een praatje met een jonge magere vrouw komt hij
erachter dat de mensen bang zijn voor een overstroming van de rivier. Het regent
al dagen lang in het gebied en er waren al berichten dat het water buiten de
oevers was getreden een eind stroomopwaarts. De mensen wisten dat als het daar
al overstroomt dat het dan in de stad nog veel erger is. Siu kreeg dan ook het
advies om hier niet te blijven maar om meteen door te reizen. Deze goede raad
volgde hij maar wat graag op want het verhaal van de oude man volgde hem al de
hele dag en hij was erg onrustig.
Om verder te reizen moest hij echter
wel de rivier oversteken en toen hij aan de oever stond schrok hij wel een
beetje. De anders zo rustige rivier was veranderd in een wilde stroom. Er was
niemand die hem wilde overzetten maar hij hoorde wel dat er een eind
stroomopwaarts een brug was waar hij zou kunnen oversteken. Een vriendelijk
jonge man met paard en kar bracht hem erheen. Hij moest toch die kant op om zijn
waren naar de markt te brengen. De kar was volgestapeld met allerlei groenten.
Siu had al heel wat gezien bij zijn schoonvader op het land maar de omvang van
deze groenteberg was onbeschrijfelijk. Het paard had het zwaar onder de last,
maar de weg was vlak en daarom ging de reis toch nog snel.
Na een uurtje kwamen ze bij de brug aan. Het was er
een drukte van belang. Alle zware voertuigen werden tegengehouden en mochten de
brug niet over. De jonge man probeerde met veel praten de wachters te overreden
dat hij echt naar de overkant moest, maar hij kon praten wat hij wou, het lukte
hem niet. Siu was ondertussen afgestapt en ging te voet weer verder nadat hij de
jongeman hartelijk had bedankt. Na nog een wijze raad om vooral voorzichtig te
zijn bij het oversteken van de brug stapte Sui op de brug. Het zag er allemaal
wat onrustig uit maar hij bereikte toch zonder problemen de overzijde. De weg
ging bergopwaarts en dat gaf hem een mooi uitzicht over de stad.
Op en onder de brug nam het rumoer toe. Het leek erop dat hij maar net op tijd
was geweest. De brug werd ontruimd en nog geen 10 minuten later ziet Siu de brug
langzaam in de wilde golven van de rivier verdwijnen. Tegelijk begint het te
regenen. Het is warm en nat en er is geen plekje waar Siu even kan schuilen.
Binnen enkele ogenblikken is hij doorweekt. Het uitzicht over de stad is in één
klap verdwenen en de regenval is zo hevig dat hij geen 10 meter ver kan zien. De
weg is blubberig en regelmatig moet hij kleine stroompjes die de weg kruisen
oversteken. De rode plakkerige grond kleurt de onderzijde van zijn broek rood en
zijn sandalen zijn een grote klomp modder. Zo wisselen geluk en ongeluk elkaar
af op deze bijzondere dag. Er volgen modderstromen die grote delen van de weg
volledig blokkeren. Opklaringen waardoor zijn kleding weer wat opdroogde maar
ook tevens de modder droogde die weer als schuurmiddel in zijn sandalen
achterbleef. Alles bij elkaar geen pretje. Tot overmaat van ramp kwam hij in een
gebied dat totaal verlaten was en tegen de avond had hij nog steeds geen herberg
gevonden om te overnachten.
De overnachting onder de blote hemel bracht opnieuw een verrassing. Het was al
bijna morgen toen Siu met een schok wakker werd. Het was doodstil om hem heen en
hij wist dan ook niet wat hem had gewekt. Het was zelfs bijzonder stil. De wind
was gaan liggen en er was geen enkel geluid. Toen opeens, heel in de verte
hoorde hij een vogeltje fluiten. Het leek op het gefluit van de vogel die hij
jaren lang had gehad. En toen opeens was de lucht vol gefluit. Het was
oorverdovend maar toch ook weer prachtig. Sui ging rechtop zitten en luisterde
er vol verbazing naar. Wat een prachtige belevenis. Hij zag de zon waterig boven
de horizon komen en besloot om maar meteen op weg te gaan. Hij had honger en
moest nodig op zoek naar wat te eten en te drinken.
Na twee uur lopen kwam hij bij een
boeren dorpje. De boeren waren al vertrokken naar het land en overal om het
dorpje heen was het een drukte van belang. Boeren waren aan het spitten, onkruid
wieden en watergeven. Een boerin gaf hem wat rijst en wat groente. Siu gaf haar
in ruil een parel. De vrouw keek er gefascineerd naar. Ze vertelde Siu dat ze
ooit eerder zo'n mooie parel had gezien. Dat was toen een rijtuig langs het dorp
was gereden. Er had een dame in het rijtuig gezeten met een speld in het haar
met net zo'n steen. Sui vertelde haar dat parels afkomstig zijn uit oesters. Het
zijn dus geen stenen zoals u denkt. De vrouw trok aan een koord dat om haar nek
hing en er kwam een klein doosje te voorschijn. Ze deed hem open en Siu's mond
viel open van verbazing.
Het doosje was geheel gevuld met kleine blauwkleurige stenen. Het bleek turkoois
te zijn. De vrouw haalde een van de kleine stenen eruit en stopte de parel er
weer in. 'Hier,' zei ze en drukte de steen in Siu's handen. 'Deze past niet meer
in mijn doosje. Daarom mag jij deze hebben. Ik ben erg gelukkig met mijn parel.'
Siu stopte de turkooizen steen in het zakje bij zijn parels, bedankte de vrouw
hartelijk en ging weer op weg. Het was drukkend warm en het zweet brak hem aan
alle kanten uit. De weg ging heuvel op en heuvel af en in beide gevallen werd
dat bemoeilijkt door de vele aardverschuivingen die door de laatste enorme
regenbui waren veroorzaakt.
Na een lange, moeilijke tocht bereikte hij dan eindelijk Daliang. Op de markt
zag hij een groot aantal kraampjes met allerlei etenswaren, kleding, manden en
andere koopwaar. Een bijzonder kraampje trok zijn aandacht. Er zat een klein
mannetje met een snor en een lange sik achter in de kraam. Hij dutte een beetje.
De kraam was gevuld met allerlei oude spullen waar niemand belang bij scheen te
hebben. Siu's aandacht werd getrokken door een klein houten doosje. Hij wilde
het oppakken en toen hij zijn hand uitstak stond het mannetje opeens naast hem
en hield hem tegen. 'Wat gaan we doen?' vroeg hij bot. Siu zei dat hij
belangstelling had voor het doosje. 'Wat een rare koopman,' dacht hij. 'Dat kan
zomaar niet, daar moet wat tegenover staan,' zei het mannetje.
Siu pakte zijn zakje met parelen en opende hem.
'Kijk, ik heb parelen om u te betalen,' sprak hij tot de man. 'Geef mij de
blauwe steen, slechts dan mag u even kijken. Zo niet dan kunt U beter meteen
doorlopen,' was het antwoord. Dit was pijnlijk. Siu was van plan het doosje te
kopen voor zijn vrouw en had er de steen in willen stoppen. Nu zou hij moeten
kiezen. De koopman had geen belangstelling voor de parelen maar wel voor de
blauwe steen. Die zou dus wel meer waard zijn dacht Siu. Zo stonden ze nog een
poosje naast elkaar en Siu zette zijn beste beentje voor om er meer uit te
halen. De koopman was duidelijk. Er viel niet te handelen. Dat was het. Nemen of
laten. De koopman wist blijkbaar dat Siu het doosje erg mooi vond. Siu haalde
zijn laatste troef uit de kast en zei tegen de koopman dat het dan maar over
moest gaan en liep weg. De koopman ging tot grote schrik van Siu terug naar zijn
hoekje en dook weer in elkaar om zijn dutje te hervatten. Siu had toch minstens
verwacht dat de koopman hem een hernieuwd bod had nageroepen, maar dat bleef
uit. Hij wandelde het hele plein over maar steeds werd zijn blik weer getrokken
naar de kraam in het hoekje met de duttende koopman. Hij had de grootste moeite
om de drang diep in hem te onderdrukken die hem gebood terug te gaan naar de
kraam en het doosje te kopen. Maar om daarvoor de blauwe kostbare steen op te
offeren?
Voordat Siu het in de gaten had was
hij het plein al weer rond en stond hij voor de tafel met het kleine houten
doosje. De koopman eiste weer de blauwe steen als tegenwaarde. Als in een
vertraagde droom gaf Siu de steen aan de koopman. Hij pakte het houten doosje
van de tafel, opende hem en keek naar de inhoud. Het was leeg maar ook weer niet
helemaal. Er kwam een geelgroene gloed van af en midden in de gloed was een
beeld van een vogelkooi tussen twee leeuwen te zien. Plotseling was het doosje
weg. Het loste helemaal op in de lucht. Hij keek naar de koopman, maar die was
ook weg. Erger nog, er stond helemaal geen marktkraam meer in de hoek van de
markt! Wat was er gebeurd? Een jonge man tikte hem op de schouder en vroeg of
hij kon helpen. Het bleek dat hij helemaal geen marktkraam op die plek had
gezien en dat hij het maar raar vond dat Siu daar op die open plek allerlei rare
gebaren maakte. Siu keek in zijn buidel en zag dat de blauwe steen nog steeds
weg was. Hij was zwaar teleurgesteld en voelde zich bedrogen. En het ergste was
dat hij alleen zichzelf de schuld kon geven. De rest van de dag slenterde hij
door Daliang. Hij kon maar geen rust vinden. Tot laat in de avond liep hij rond
en elke keer kwam hij weer uit op het marktplein. Ten einde raad ging hij op
zijn hurken in de hoek van de markt zitten waar hij eerst de kraam had gezien.
Alle markt lui waren al vertrokken, de verloren resten van de groenten
achterlatend.
Toen 's morgens vroeg de vegers langskwamen zat hij
er nog en toen alles netjes was aangeveegd en de eerste marktkooplui al weer aan
het uitpakken waren, zag Siu opeens aan de overkant van het plein twee leeuwen
aan weerszijden van een grote deur staan. Voor de deur stond de kleine
marktkoopman die hem gisteren zo had beetgehad te wenken. Toen Siu naar hem
toeliep haalde hij een prachtige vogelkooi achter zijn rug vandaan. Hij gaf hem
zonder een woord te zeggen aan Siu. In de kooi zat dezelfde vogel die hij van
zijn vader had gekregen. Toen hij de kooi aannam voelde hij dat de lap in de zak
langzaam naar buiten kwam en in de handen van de koopman gleed. Siu staarde de
koopman met grote ogen aan en de koopman zei. 'Maak de vogel blij en laat hem
buiten fluiten.'
Toen was de koopman opnieuw verdwenen maar de kooi rustte nog in zijn handen. De
vogel zat op het doosje dat hij zo mooi had gevonden. Het zag er nu grauw en dof
uit en leek niet meer op het prachtige kleinood dat hij in de kraam had
gevonden. De vogel floot alsof het weer morgen werd en Siu genoot van alle
klanken. Na een uitgebreide maaltijd ging hij op weg naar huis. De tocht had
lang genoeg geduurd en hij verlangde weer naar huis. Naar zijn vrouw en zijn
lieve moeder. Het duurde een week voordat hij weer thuis aankwam. Iedereen was
blij hem weer te zien en toen hij 's avonds voor zijn huisje zat en zijn familie
luisterde naar de vele verhalen die hij te vertellen had herinnerde hij zich het
gesprek met de boerin. De werkelijk betekenis van het gesprek werd hem nu pas
echt duidelijk.
Een paar jaar later werd de eerste
oogst gekweekte parelen naar boven gehaald en werd Siu geprezen om zijn
slimheid. De delta van de parelrivier is tot op de dag van vandaag nog steeds
het centrum van de parelkweek. En als je goed zoekt zijn er nog steeds heel veel
mensen die een vogel in een kooi buiten hebben hangen. Zij hopen allen op het
geluk dat Siu eens met zo'n vogel heeft gehad. Allerlei soorten vogels worden
geprobeerd maar of ze de goede vinden?
--
De
tsja-tsja-ta-toe-toe en de feniks
De nietigste en lelijkste aller
vogels is de tsja-tsja-tsja-ta-toe-toe. De edelste, wonderbaarlijkste en
prachtigste gekleurde vogel is de feniks.
Op een dag zat de tsja-tsja-ta-toe-toe op haar
nest. Een dwergmuis, die haar hol daarnaast had, loerde ernaar. Toen de
tsja-tsja-ta-toe-toe weggevlogen was, glipte ze snel uit haar hol en begon aan
de eieren te knagen. Dat deed ze een paar dagen achter elkaar tot er nog maar
één ei in het nest lag. de hulpeloze, arme vogel wist niets anders te doen dan
naar de feniks, de koning der vogels, te vliegen en zich over de dwergmuis te
beklagen. ‘Majesteit’, zei de tsja-tsja-ta-toe-toe, ‘ik kom in mijn
ellende bij u. Ik heb drie eieren in mijn nest gelegd, twee ervan heeft een
gemene dwergmuis opgevreten. Drie eieren zijn mijn kinderen en twee kindertjes
heb ik daardoor nu verloren. Deze daad mag niet ongestraft blijven. U bent de
hoogste rechter in het vogelrijk, ik smeek u, help mij!’
De feniks was erg autoritair en keek minachtend
op de tsja-tsja-ta-toe-toe neer. Nijdig omdat hij gestoord werd riep hij:
‘’k Heb geen tijd om me met zulke kleinigheden in te laten. Hoe kun je me nu
om twee eieren lastigvallen? Je moet zelf op je kinderen passen, net zoals alle
vogelmoeders. Het is je eigen schuld!’
De tsja-tsja-ta-toe-toe was totaal uit het veld
geslagen en het huilen stond haar nader dan het lachen. Met een schuchtere stem
zei zij: ‘Waar vindt men nog rechtvaardigheid? U kijkt op me neer en denkt dat
ik veel lawaai maak om niets. Ik kwam naar u toe omdat u de koning der vogels
bent. U zou de armen moeten helpen. En twee kleine eieren zijn voor u maar een
onbenullig iets waarvoor u niet gestoord wilt worden. Kleine dingen hebben
echter al vaak tot grote ongelukken geleid. Als er later eens een ramp gebeurt,
geeft u mij daarvan dan niet de schuld.’
De feniks luisterde allang niet meer naar haar en
sloeg ongeduldig met zijn vleugels. De tsja-tsja-ta-toe-toe zag dat de koning
der vogels geen aandacht voor haar had en vloog treurig naar haar nest terug.
Woedend zat zij daar en bedacht hoe zij zichzelf
zou kunnen helpen. Zij kreeg vele ideeën en vele verwierp zij weer. Plotseling
kreeg zij een inval en sprong op. In de weide plukte zij een sterke grashalm af
en maakte daarvan een pijl. Toen ging zij achter een dikke struik in een
hinderlaag liggen en wachtte de roofzuchtige dwergmuis op.
Na een poosje klonk het ‘trip-trap,
trip-trap’ en daar kwam de dwergmuis aangeslopen. De tsja-tsja-ta-toe-toe was
zo boos, dat hij vlug naar voren sprong en de dwergmuis met haar pijl een oog
uitstak. Deze gaf een harde schreeuw, maar wist helemaal niet wat er eigenlijk
gebeurde. Van pijn draaide ze gillend in de rondte. Toen schoot ze als de
weerlicht door het moeras, zo’n pijn deed haar oog, en landde tenslotte in het
neusgat van een leeuw. Deze deed net aan de oever van een meer zijn
middagslaapje. De leeuw vloog plotseling uit zijn slaap omhoog en sprong hals
over kop in het meer, omdat hij niet wist wat er zo in zijn neus kriebelde. In
het water lag lui een draak, die gapend zijn muil opensperde. Omdat hij
plotseling de leeuw vanaf de oever op zich toe zag springen, dacht hij dat het
om zijn leven ging en verhief zich met verschrikkelijke slagen van zijn staart
in de lucht. Hoog daarboven, in het rijk der bergen en luchten, woonde echter de
feniks.
Nog verblind van schrik stootte de draak tegen
het feniksnest en brak daarbij het ei, dat in het nest lag. De feniks vloog op
en snauwde de draak toe: ‘Jij ellendeling! Stoot me daar het ei in het nest
kapot! Nog nooit hebben een draak en feniks met elkaar gevochten. Jij leeft
meestal in het water en ik meestal op het land en in de lucht. Je weet echter,
dat wij feniksen maar eenmaal in het jaar één enkel ei leggen; waarom kom jij
dan het water uit, vernielt mijn nest en het kostbare ei? Wat heb ik je
gedaan?’
De draak trok een ontsteld gezicht, maar zei toch
op een verdedigende toon: ‘Dat is mijn schuld niet. U moet zich bij de leeuw
beklagen, want alleen de leeuw heeft schuld. Ik zwom heel rustig wat op en neer
in het meer, kalm als altijd; toen sprong er plotseling een leeuw op me af die
me wilde grijpen. Moet ik me dan laten opvreten? Ik vloog dus in de lucht en
slechts door een ongelukkig toeval kwam ik bij uw nest terecht en brak het ei.
Ik vraag u vele malen excuus maar alleen de leeuw heeft schuld!’
De feniks vloog op staande voet naar de leeuw en
maakte hem de bitterste verwijten. ‘Ik?’ zei de leeuw, ‘ik zou de schuld
krijgen van dit ongeluk?’ Daarbij maakte hij met de poten een afwerende
beweging. ‘Ik lag in een diepe sluimering bij het meer, toen er opeens een
dwergmuis in mijn neusgat gleed en mij kietelde. Ik sprong van schrik in het
water en zag pas daarna wat er eigenlijk gebeurd was. de schuld treft alleen de
dwergmuis.’ De feniks ging daarop naar de dwergmuis toe.
‘ Ik ben onschuldig’, piepte de dwergmuis.
‘De tsja-tsja-ta-toe-toe is de schuld van alles. Die heeft mij een pijl in
mijn oog gestoken en toen ben ik van pijn weggerend, waarbij ik het neusgat van
de leeuw voor een holletje aanzag. Zo is het allemaal gegaan.’ Nijdig begaf de
feniks zich op weg naar de tsja-tsja-ta-toe-toe.
‘Kent u me eigenlijk nog wel?’ vroeg de
kleine grasvogel op verwijtende toon. ‘Herinnert u zich mijn bezoek en uw
eigen woorden? U hebt zich ongeduldig en snel van mij afgemaakt, toen ik
destijds bij u kwam. U zei dat iedere vogel maar op zijn eigen eieren moest
passen. Dat heb ik toen ter harte genomen en mijn nest verdedigd. De dwergmuis
was weer op weg naar mijn nest om mijn laatste ei op te vreten, toen heb ik haar
het stelen afgeleerd.
Zeker, ik heb daarbij de pijl als wapen gebruikt.
Ik heb u van tevoren gewaarschuwd: uit kleinigheden kan soms een grote ramp
ontstaan. U had toen geen oren naar mijn woorden. Wie is dus de schuld van
alles? Wie?’
De feniks zweeg bij deze woorden, werd rood van
schaamte en vloog schuchter weg.
--
De wijze man
Er was eens een jonge geleerde die zich in
een bergtempel in het zuiden van Het grote Chinese land had teruggetrokken om te
studeren. Het was zijn bedoeling om het oude boek der wijsheden uit zijn hoofd
te leren zodat hij de mensen met goede raad te woord kon staan. In die streek
werd de I Tjing veel gebruikt door de eenvoudige boeren. Als zij een dringende
vraag hadden gooiden ze zes keer drie munten op een tafel, elke worp leverde een
teken op en die zes tekens bij elkaar een teken dat het antwoord was op de
vraag. Dit antwoord stond in het grote boek en dan moesten knappe mensen de
boeren helpen, want die konden niet lezen.
Op een warme avond aan het begin van
de herfst zat de geleerde op het binnenplein van de koelte te genieten. Hij was
heel tevreden over zich zelf omdat hij die dag aan de burgermeester van het dorp
een heel mooie uitleg had geven over een vraag aan het orakel. De burgermeester
had de muntjes geworpen en het antwoord van het boek was het teken van de wind
en de macht. De geleerde vertelde dat dit teken betekende dat de mens de natuur
kan overwinnen door hard te werken.
Zo zat de wijze man soezend in de avondzon
en droomde van een belangrijke plaats bij de grootste geleerden van het land.
Plotseling hoorde hij een windstoot en de poort van de tempel waaide wijd open.
Er kwam een monster uit dat eruit zag als een menseneter. Het was tien voet lang
en ging op het dak zitten. Zijn gespreide benen waren zo dik als boomstammen,
zijn haar zag eruit als een graspol.
De geleerde verborg zich in zijn kamer,
deed de deur dicht en kroop in zijn bed. Krak, daar ging de deur open en het
monster kwam blazend het vertrek binnen dat door een lamp werd verlicht. Zijn
gezicht was verscheidene voeten lang en zwart als rook en steenkool. Hij liep op
het bed toe. In zijn doodsangst nam de man, die zich geen raad meer wist, een
zwaard en wilde het hem in de buik stoten, maar het schampte knarsend af als op
harde steen. Toen werd de geest kwaad, rukte hem het zwaard uit de hand en brak
het alsof het een dorre twijg was. De man kroop onder de dekens en de geest
greep naar hem met zijn reusachtige vuist alsof hij naar een mug of een vlo
greep. Maar omdat zijn vingers te lomp waren, wist de man hem te ontwijken en
verborg zich onder het bed. Zo kwam het dat de geest slechts de deken in zijn
hand had toen hij wegging.
Toen de ochtend aangebroken was, keerde de geleerde ijlings naar huis terug en
durfde niet meer in de bergtempel te komen.
(Bron: www.beleven.org)
--
Drakenbootfestival
In
een koninkrijk genaamd Chu, in de vierde eeuw v. C., woonde een
trouw minister genaamd Qu Yuan. Deze Qu Yuan was een zeer
belezen man die trouw en toegewijd het staatsbelang diende en
door de gehele bevolking van het land zeer werd bemind. De
toenmalige koning en koningin van Chu wisten echter alleen maar
te eten, te drinken en feest te vieren, ze wisten het land geen
rust en het volk geen vrede te brengen en luisterden niet naar
de woorden van trouwe dienaars. Daarom werd geen enkel voorstel
van Qu Yuan om het land rust en de staat vrede te brengen
overgenomen door het hof.Erger nog,
op een dag werd Qu Yuan ontslagen uit zijn ambt en verbannen van
het hof. Hij zwierf langs de rivier de Miluo en bedacht dat
verraders aan de macht waren, het hof verblind was, de staat in
gevaar was en het volk geen leven had. Hij werd overmand door
verdriet en schreef wat van China’s grootste poëzie, door weer
te geven hoe veel hij hield van zijn land, en zijn grote
bezorgdheden over de toekomst van zijn land. Na het zien van
Chu’s vernietiging, door de concurrerende koninkrijken, liep Qu
Yuan de Mi Lo rivier in met in zijn handen een grote steen, als
uiting van het verdriet in zijn hart. In de vroege ochtend van
de Vijfde dag van de Vijfde Maand verdronk zo de toegewijde Qu
Yuan zich in het o zo heldere water van de Miluo.
De mensen, die zo veel van Qu Yuan
hielden, racede tevergeefs in hun vissersboten naar het midden
van de rivier om hem te redden. Ze sloegen op trommels en
sloegen met hun peddels in het water, zodat de vissen en
waterdraken niet in de buurt van Qu Yuan’s lichaam zouden komen.
Om zijn ziel te redden en er zeker van te zijn dat zijn ziel
niet hongerig werd, strooiden ze rijst in het water.
Maar, laat in een nacht, verscheen de
geest van Qu Yuan voor zijn vrienden en vertelde hen dat de
rijst die voor hem bedoeld was, werd opgegeten door een enorme
rivierdraak. Hij vroeg daarom zijn vrienden om de rijst te
verpakken in zijde pakketjes met daaraan vast vijf vel gekleurde
linten, om de draak af te laten schrikken. Deze traditie word
nog steeds in stand gehouden, maar in plaats van zijde wordt de
rijst nu in bladeren ingepakt.
Omdat Qu Yuan op de vijfde dag van de
Vijfde Maand is verdronken, hebben de mensen later deze dag
ingesteld als een feestdag, ter herinnering aan de trouwe en
toegewijde vaderlandslievende Qu Yuan. Bovendien zijn ze ter
herinnering aan de mensen die bij het dreggen naar Qu Yuan in de
rivier zijn verdronken. Omdat de Vijfde dag van de Vijfde Maand
ook wel wu-dag wordt genoemd, spreekt men ook van het
Duanwu-feest of het Duanyang-feest.
--
Het gewaad van
de koningstijger
Er was eens een arme herder, die maar een melkkoe en
twee geiten bezat. Samen met zijn vrouw sloeg hij zich zo goed en zo kwaad als
het ging door het leven, maar ze konden de eindjes niet aan elkaar knopen. De
drie kinderen die zijn vrouw hem geschonken had, waren allen op zeer jeugdige
leeftijd gestorven. De ouders waren zo langzamerhand over hun verdriet heen
gekomen en hadden de hoop op een verdere kinderzegen opgegeven. Na enkele jaren
schonk de vrouw echter, tegen alle verwachtingen in, midden in de winter het
leven aan een jongen. De vader en de moeder waren dolgelukkig. Inmiddels was
goede raad duur, want waarmee moesten ze het kleintje nu opvoeden? Als er nu nog
maar een koe of nog een paar geiten meer geweest waren! de ouders zeiden:
‘komt tijd, komt raad’, en melkten eerst maar eens, voor hun tent gezeten,
de koe. Zo verzadigden ze de nieuwgeborene met verse melk.
Tot grote verbazing van beiden groeide het kind
echter niet in vele dagen en jaren, maar werd in een paar uur steeds groter.
Nauwelijks was de dag voorbij of het was al een volwassen man geworden en
overtrof wat lichaamslengte betreft alle andere mensen. De ouders waren
verschrikt en blij tegelijk. Zij gaven hun zoon de naam Goenan.
De eerste dag toonde Goenan zo’n grote honger,
dat hij een geit met huid en haar opat en op de tweede dag verorberde hij zonder
veel ophef ook de tweede.
De ouders zagen dit met grote ontsteltenis aan en
zeiden tegen elkaar: ‘Morgen zal hij onze enige koe ook nog opeten! Hoe moeten
we dan verder leven?’
Op de derde dag zei Goenan tegen zijn moeder:
‘Liefste moedertje! Onze familie is zo arm en er is nog maar één koe over.
Laat me de wereld ingaan zodat ik voor mijn eigen kostje kan zorgen. Altijd
thuisblijven wil ik ook niet; dat vind ik te vervelend, ik word er nu al gek
van!’
De moeder keek haar grote en ijzersterke zoon een
poosje aan en zei met tranen in haar ogen: ‘Mijn zoon, wat zou je nu in dit
land kunnen beginnen? Je kunt het beste eens naar onze vorst, de Kahn gaan;
misschien heeft die wel werk voor je.’ Goenan dacht hierover na en nam toen de
raad van zijn moeder aan.
Hij was nog maar halverwege toen hij een
uitgehongerde wolf tegenkwam. Nauwelijks had het beest de reiziger ontdekt of
het viel hem aan. Goenan hield de wolf tegen, maakte het met één enkele greep
van kant en vilde hem. Hij maakte ter plaatse een vuur en braadde het vlees.
Nadat hij de wolf tot op het bot had opgegeten,
vervolgde hij zijn weg. Tegen de avond bereikte hij de tent van de vorst. De
khan was een wantrouwig en sluw man en wilde eerst wel eens zien hoe sterk
Goenan wel was. Om de jongeman op de proef te stellen liet hij een os braden en
nodigde Goenan voor de maaltijd uit.
Omdat Goenan alweer een geweldige honger had,
verorberde hij niet alleen al het vlees, maar knaagde ook nog de botten af. De
khan liet hem daarop in zijn tent komen en benoemde hem tot zijn lijfwacht.
Vaak vergezelde Goenan nu de khan bij de jacht.
Zij reden dikwijls naar ver afgelegen wouden en kwamen steeds met een rijke buit
weer thuis. Op een dag stuitten ze tussen de bergen op een diep ravijn.
Opeens sprong er een tijger op hen af, wiens ogen
geniepig en moordlustig fonkelden. Bij het zien hiervan liep de khan het koude
angstzweet over de rug. Hij liet de zweep knallen en rende, zonder zich om
Goenan te bekommeren, hals over kop de berg af. Ook het hele gevolg ging er zo
snel mogelijk vandoor. Alleen Goenan was blijven staan. Koelbloedig ging hij een
stapje opzij toen de tijger op hem af sprong, pakte het ondier op hetzelfde
moment bij de achterpoten, slingerde hem in ‘t ronden wierp hem tegen een
dikke boom, zodat deze kraakte en de bladeren van de takken dwarrelden. Door
deze klap barstte de buik van de tijger open en het dier was dood. Goenan wierp
het dode roofdier over zijn schouders en haastte zich met reuzenschreden naar de
tent van de Khan.
De Khan was weliswaar op zijn vlucht ongedeerd
gebleven, maar hij beefde over zijn hele lichaam, zo had hij de schrik te pakken
gekregen. Zijn gevolg, dat ook spoedig arriveerde, moest de Khan zelfs uit het
zadel helpen. Nauwelijks voelde de vorst echter vaste grond onder de voeten of
hij begon te schreeuwen van ontzetting. Hij zag namelijk Goenan met de tijger op
zijn schouders komen aansnellen en dacht dat het roofdier nog leefde. Met één
sprong was hij in zijn tent en vergrendelde van binnen de deur. de mensen buiten
schreeuwde hij toe: ‘Kom hier en bewaak direct de ingang en laat in ‘s
hemelsnaam dat beest niet bij mij binnen!’ Toen hoorde hij dat de tijger dood
was. Nu kwam hij naar buiten en deed zichzelf als een moedigman voor en gaf
Goenan een uitbrander. Toen de mannen van zijn gevolg de tijger gevild hadden,
brachten ze de huid van de tijger naar zijn tent.
De daaropvolgende dagen liet de Khan van het
tijgervel een kleed voor onder zijn bed maken. Vaak keek hij overdag naar het
prachtig getekende vel van het roofdier en daarbij kwam de wens in hem op ook
nog eens een gewaad van een koningstijger te bezitten. Hij liet Goenan bij zich
komen en beval hem, ten overstaan van het hele gevolg, binnen drie dagen de
koningstijger te doden. Zou hij het vel niet binnen deze tijd inleveren, dan
stond hem de doodstraf te wachten. ‘Waar moet ik die koningstijger nu
zoeken?’ vroeg Goenan zich af en wist zich geen raad. ‘Men zegt dat hij
ergens in een hol in het Noordgebergte moet zitten, ver, ver van hier. In die
buurt moet het wemelen van de tijgers. Maar een gewone sterveling kan daar
helemaal niet komen!’
Nog diezelfde nacht keerde Goenan bezorgd naar
zijn ouders terug en vertelde hun wat de Khan hem bevolen had.
De beide goed mensen wisten ook niet wat zij hun
zoon moesten aanraden. Het liefst zouden zij hem bij zich gehouden en in hun
tent verborgen hebben, maar het gevolg van de khan zou hem daar dadelijk vinden.
Wenend zaten de beide oudjes daar. Lieten zij hem gaan, dan was de vraag of hij
het waagstuk volbrengen kon; rieden zij hem aan hier te blijven, dan zou de
boosaardige Khan hun zoon vast en zeker laten doden. ook Goenan zelf zag geen
uitweg uit deze netelige, ingewikkelde toestand.
Toen kwam er onverwacht een stokoude ervaren
herder de tent binnen. Deze zei tegen Goenan: ‘Jongen, verlies de moed niet!
De koningstijger is voor heel veel dingen bang, maar voor niets zozeer als voor
een dapper mens. Je zult alle moeilijkheden kunnen overwinnen, als je van ganser
harte aan je geboorteplaats denkt en aan de mensen die je lief en dierbaar zijn.
Ga maar direct op weg! Voor de tent staat een bontgevlekte pony, die krijg je
van mij! En nu het allerbeste en veel geluk!’
De oude herder kuste Goenan zacht op het
voorhoofd en haastte zich de tent uit.
Goenan snelde naar buiten en zag inderdaad een
bontgevlekte pony staan! Toen het dier Goenan aankeek, hief het zich op zijn
achterpoten en hinnikte. Goenan onderzocht zijn boog en scherpte zijn zwaard.
Dij het aanbreken van de dag besteeg hij de pony en nam afscheid van zijn
ouders. Zwaarbewapend galoppeerde hij weg. Het paardje draafde eerst als een
gewone pony, toen echter schoot het als een pijl uit de boog over de vlakten,
zodat Goenan nauwelijks nog de omtrek van de huizen aan beide zijden kon
herkennen. plotseling begon de pony langzamer te lopen, alsof er gevaar dreigde.
En toen zag Goenan gelijk hoe daar voor hem, vlak bij de hut, een wolf zich op
een klein meisje stortte. In een paar seconden had Goenan zijn boog gespannen en
geschoten.
Peng! De pijl suisde door de lucht en trof de
wolf precies in de kop. Toen Goenan dichterbij kwam, kon hij alleen maar
vaststellen dat hij de wolf ter plekke gedood had. Er kwam een oude grootmoeder
uit de hut. Ze sloeg de handen boven het hoofd tegen elkaar toen ze zag uit welk
gevaar Goenan haar kleinkind gered had.
Dankbaar nodigde ze de trefbare schutter in haar
hut en schonk hem een kop thee met melk in. De oude overhandigde Goenan een ezelsbot als
afscheidsgeschenk en zei: ‘Neem dit bot mee, het zal je goede diensten
bewijzen!’ Goenan dankte haar, besteeg zijn paard en reed
verder in noordelijke richting.
Na een lange tocht bereikte Goenan een brede
rivier, die hem de weg versperde. Goenan dacht erover na hoe hij de andere oever
zou kunnen bereiken en bekeek keurend de stroming en het golvenspel. Opeens
begon het water van de rivier te kolken en een reuzenschildpad dook uit de
diepte op. De schildpad kwam vlak bij de oever en riep naar Goenan: ‘Jonge
vriend, deze rivier kom je niet over, rij maar snel terug naar huis!’
‘Hoezo, oude vriend?’ riep Goenan terug. ‘Moeilijkheden zijn overal, maar
die kan men overwinnen!’
‘Als je dan zo dapper bent, jonge man, help mij
dan eerst eens!’ vroeg de schildpad. ‘Mijn linkeroog doet me pijn, daar heb
ik al zolang last van. Ik zou graag een nieuw oog ervoor in de plaats hebben.
Dat kan echter pas, als iemand mijn oude oog uitrukt. Kom gauw en help
daarmee!’
Goenan ging naar de oever toe en rukte de
schildpad met zijn vingers de oogappel uit. Toen roerde zich het water en de
schildpad veranderde in een draak. Met zijn vleugels slaande verhief hij zich in
de lucht en riep Goenan toe: ‘Je hebt een goed hart! Neem als dank de oogappel
mee op je reis, hij zal je goede diensten bewijzen!’ Na deze woorden zweefde
de draak weg en was al gauw niet meer te zien.
Goenan bekeek nu de oogappel in zijn hand wat
beter. Hij geloofde zijn ogen niet: het oog was inmiddels in een fel
schitterende parel van onschatbare waarde veranderd. Goenan merkte dat er ook
met zijn eigen ogen iets gebeurd was, toen hij lange tijd naar de parel gekeken
had. Plotseling kon hij alles helder en duidelijk zien; hij kon zelfs de paar
tenthutten aan de horizon in de verte onderscheiden.
Vol vertrouwen besteeg Goenan weer zijn paard. De
pony scheen te begrijpen wat zijn heer van hem wilde en zijn gedachten te kunnen
lezen: met een aanloopje sprong hij hinnikend in de rivier. Goenan keek erbaasd
naar beide zijden. Nauwelijks had het water de kostbare parel bevochtigd of het
week naar beide zijden uiteen. De geweldige watermassa’s stapelden zich tot
twee doorzichtige muren op, waar tussendoor een droog pad liep.
Zonder moeite bereikte Goenan met zijn pony de
andere oever. Achter de hoeven van het paard vloeide het water direct weer samen
alsof het nooit anders geweest was. Na een korte galop bereikte Goenan de hut
die hij reeds vanaf de zuidelijke oever gezien had. Voor de hut zat een bejaarde
herder en weende hartverscheurend. Goenan sprong van het paard en vroeg:
‘Grootvader, waarom huilt u zo droevig? Misschien kan ik u helpen. Zeg mij
waarom u zo’n verdriet hebt?’
De oude herder wreef zich de tranen van het
gezicht en vertelde zuchtend: ‘Mijn dochter, mijn enige dochter is gisteren
door de koningstijger geroofd. Ik weet niet of ze nog leeft of al dood is. Ik
heb alleen maar deze dochter! Maar u zult me niet kunnen helpen. Wee mij!’En
weer begon de oude te wenen. ‘Wees maar niet zo verdrietig, vadertje!’ zei
Goenan en troostte hem met de woorden: ‘Uw dochter zal weer bij u terugkeren.
Ik ben juist op weg om deze tijger op te sporen. Vind ik hem, dan red ik uw
dochter, zo waar als ik hier sta!’
De oude herder zag hem met betraande ogen aan en
nodigde hem in zijn hut. Een beetje opgelucht zette hij hem een schaal thee met
melk voor. Goenan bleef een poosje bij de oude, dronk de thee op, bedankte en
reed toen weer door.
Voor de duisternis inviel bereikte hij het gebied
van de koningstijger. Het berghol, waarin het verschrikkelijke dier zich bevond,
was reeds duidelijk uit de verte te zien. Een dozijn tijgers hield voor de
ingang de wacht.
Voorzichtig sloop Goenan naar het hol toe. De
meute tijgers had hem echter al opgemerkt en stortte zich op hem. Goenan wierp
het ezelsbot tussen de meute, waar de beesten direct om begonnen te vechten in
een poging het elkaar afhandig te maken. Ongemerkt drong hij toen het hol
binnen. Na enige tijd zoeken vond hij daar het geroofde meisje. De
herdersdochter vertelde hem, dat de koningstijger deze morgen vroeg was
weggegaan en waarschijnlijk niet lang meer op zich zou laten wachten. Het meisje
wilde Goenan ergens verstoppen, maar die wilde er niets van horen. ‘Eerst
breng ik jou in veiligheid en breng je naar je vader terug!’ zei de dappere
jongeling. Goenan tilde het meisje voor het hol op de bontgevlekte pony en liet
de zweep knallen. Als de stormwind galoppeerde de pony de berghelling af. Toen
zij de vlakte bereikt hadden zagen ze hoe door hun galop het gele zand als in
een wervelwind omhoog gedwarreld was. Plotseling zagen zij met schrik dat in de
grauwe zandstorm een monster achter hen aan zat. De kop was die van een tijger,
de romp leek echter op die van een mens en was van onder tot boven met gouden
haren begroeid. Goenan wendde zich met zijn gehele bovenlichaam op het paard om
en schoot een pijl af, die de koningstijger het linkeroog kostte. Het ondier
brulde van woede en pijn. Hij spreidde zijn moordenaarsklauwen uit en wierp zich
met één enkele sprong op Goenan, sleurde hem van zijn paard en sloeg hem met
zijn machtige klauwen tot over de heupen in de aarde. Hier was geen overleg
mogelijk. in enkele seconden tijd had Goenan zich er weer uitgewerkt en gaf
zijnertijds het monster zulk een houw dat dit tot de nek in de bodem verdween en
alleen nog zijn kop er bovenuit stak. Ogenblikkelijk trok Goenan zijn korte
zwaard en stootte dit het beest in de schedel. Daarmee was het lot van de
koningstijger bezegeld. Goenan trok het dode lichaam uit de grond, pakte het bij
de achterpoten en spong op de pony. De vreugde van de oude man was
onbeschrijfelijk, toen Goenan met het meisje ongedeerd bij de hut aankwam. De
oude herder weende nu weer, ditmaal echter van vreugde. Goenan was van het
meisje gaan houden en de oude herder gaf de dappere jongeling zijn dochter
gaarne tot vrouw. De volgende nacht bracht Goenan na vele verhalen door onder
het dak van zijn schoonvader. Bij zonsopgang besteeg hij met zijn vrouw de pony.
juist zouden zij wegrijden toen zij een geraas en een geloei in het noorden
hoorden, dat als een orkaan klonk. Al gauw werd het hen duidelijk: de
tijgermeute, die gisteren om het ezelsbot gevochten had, zat achter hen aan.
Vlug bracht hij zijn vrouw in de tent in veiligheid. Toen spande hij zijn boog
en liet een pijl van de pees wegschieten. De tijger aan de spits van de roedel,
stortte dodelijk getroffen neer. Nu trok Goenan zijn korte zwaard en ging met
grote stappen de meute tegemoet. Een woest gevecht ontstond. Dapper en verbeten
vechtend versloeg Goenan al dadelijk acht dieren. De overgebleven drie tijgers
scheen de lucht van het hete bloed nog wilder te maken; zij vielen Goenan daarom
met des te meer woede aan.
Goenan merkte echter dat zijn krachten hem
begonnen te begeven. Lang, zo moest hij toegeven, zou hij het niet meer kunnen
volhouden. De oude herder, die in vele dingen zeer ervaren was, bracht nu de
redding. In allerijl had hij een dozijn jonge mannen bijeengeroepen, van wie hij
de leiding had. Met stangenlasso’s, die zij meestal gebruikten voor het vangen
van paarden, vingen zij de drie roofdieren en maakten ze onschadelijk. Goenan
dankte de mannen hartelijk voor hun hulp en liet hen alle tijgers als buit
houden, die hij zojuist met eigen hand gedood had. De zegenwensen van alle
herders begeleidden hem, toen hij deze morgen voor de tweede maal het paard
betsteeg. Ongehinderd bereikte hij nu met zijn vrouw de hut van zijn ouders.
In de ogen van de Khan blonk tegelijkertijd
vreugde en woede, toen hij zag, dat Goenan de koningstijger gedood had en ook
nog een aardige vrouw meebracht. Goenans vrouw moest nu voor hem het
koningstijgergewaad maken. Iedere haar van het vel van de koningstijger moest ze
op de kostbare stof naaien. De jonge vrouw was erg handig en naaide het gewaad
zo onberispelijk, dat ze het al gauw door Goenan aan de vorst kon laten
overhandigen. De aanblik van het prachtkleed deed het hart van de Khan sneller
kloppen. Iedereen moest het nu weten: de khan bezit een koningstijgergewaad van
onschatbare waarde! Hij besloot zich in dit gewaad in het hele koninkrijk
duidelijk opvallend te tonen en spoedig een grote rondreis door zijn gebied te
beginnen. Maar eerst moest de kostbare aanwinst thuis gevierd worden. In de
daaropvolgende dagen liet hij naast zijn hoofdtent een tribune opslaan. Alle
hoge ambtenaren van de Khan werden daarop voor een feestmaal uitgenodigd, dat
hij op de tribune liet aanrichten. Op een behoorlijke afstand van de tribune
stond een grote mensenmenigte, die uit alle windrichtingen samengestroomd was.
Ieder wilde het koningstijgergewaad zien.
Na een poosje schreed de Khan feestelijk,
vergezeld van de feestmuzikanten naar de rand van de tribune. Hij gaf een teken
met de hand. Een dienaar die en hoge functie bekleedde droeg met ernst en
waardigheid een met gele stof ingepakt pakket en haalde er het als goudstralende
koningstijgergewaad uit. Toen hield hij het naar de drie kanten in de hoogte,
zodat alle toeschouwers het konden zien. Net als bij een feestelijke ceremonie
hielp hij nu de Khan het gewaad aan te trekken. Nauwelijks had de Khan het
gewaad aan of hij begon een merkwaardige verandering te ondergaan. Hij
veranderde op datzelfde ogenblik in een verscheurende tijger. Met een ontzettend
gebrul sprong hij midden tussen de mensen in en veroorzaakte bij velen van hen
met zijn klauwen diepe wonden. Alle dienaren en hoge ambtenaren sprongen
verschrikt op hun paarden en vluchtten in alle richtingen. Goenan, die pas nu
ter plekke verscheen, wist niets van deze gedaanteverwisseling af. Hij zag
alleen maar dat er een tijger vanaf de tribune midden tussen de mensen sprong en
bloeddorstig onder de omstanders te keer ging. Hij stond eerst versteld, maar
greep toen onwillekeurig naar zijn pijlenkoker. Nu pas merkte hij dat hij geen
wapen bij zich had. Toen hij zich naar de plaats van het feest begaf, had hij
pijl en boog en ook zijn korte zwaard thuis gelaten. Hij had verder geen tijd
erover na te denken, want de tijger stortte zich nu ook op hem. Rustig bleef
Goenan staan en liet de tijger op zich af komen. Zijn blik was slechts gericht
op de staart van de tijger. Voordat het ondier erop verdacht was, had Goenan hem
reeds bij de staart gepakt en slingerde hem in het rond. Meer dan tien keer liet
Goenan daarbij het lichaam van het monster tegen de grond slaan. De tijger
bloedde uit al zijn lichaamsopeningen, maakte nog een paar stuiptrekkende
bewegingen en bleef toen dood liggen. De mensen stroopten hun van gedaante
veranderde khan het vel niet af, maar stopten hem eenvoudigweg onder de grond.
Goenan was nu zijn eigen baas en reed sindsdien
dagelijks op zijn bontgevlekte pony ter jacht.
Met zijn kostbare parel genas hij de ogen van de
mensen, die van heinde en verre naar hem toe kwamen. Het geschenk van de draak
bewees een ware wonderparel te zijn. Wanneer oude mensen de parel ook maar één
maal zagen, werden hun wazige ogen weer helder. Kon iemand nog maar nauwelijks
meer iets zien, dan streek Goenan hem met de parel zachtjes over de oogleden en
dan was hij al genezen.
--
Het verhaal van de
vleermuis

Heel lang geleden woonde de vleermuis samen met
de vogels in het bos, en elke dag zodra de zon opging vloog hij zijn nest uit om
te zingen en dan naar voedsel te zoeken. Op een zekere dag kregen de kraai en de
ekster ruzie om een korenaar. De kraai zei dat hij hem als eerste had gezien en
dat hij hem dus mocht opeten, en de ekster zei dat hij hem had gevonden en dat
hij hem niet aan de kraai kon laten. Geen van tweeën wou wijken voor de ander,
zij scholden elkaar verschrikkelijk uit en later raakten zij zelfs slaags. Ze
bleven vechten tot buiten het bos en geen van tweeën kwam ertoe om de korenaar
op te eten. Terwijl de kraai en de ekster ruzie maakten, zat de vleermuis juist
in een boom daarnaast wat uit te rusten. Toen hij zag dat zij ver weg waren,
daalde hij haastig neer en maakte zich met de korenaar uit de voeten. Nadat de
vleermuis zo zijn buikje vol en rond had gegeten, vloog hij vrolijk en opgewekt
door het bos op en neer terwijl hij het hoogste lied zong.
Aangekomen bij het nest van de kraai zag hij dat deze zo"n pak slaag had
gekregen dat zijn neus bont en blauw was en zijn kraaigezicht gezwollen. Terwijl
de kraai nog niet bekomen was van zijn woede kroop de vleermuis dicht tegen hem
aan en fluisterde: "Broer kraai, broer kraai, wij zijn oude vrienden en
vanwege die goede vriendschap ben ik speciaal hierheen gekomen om je wat te
vertellen. Die ekster schold je zo-even toch uit! Hij zei dat jij én zwart én
lelijk bent, en een domkop. Bovendien zei hij dat jij zijn korenaar niet had
mogen stelen."Toen de kraai dat hoorde werd hij zo kwaad dat hij luid op de
ekster begon te schelden: "Wie denkt hij wel dat hij is? Hij is zonneklaar
een deugniet! Zolang ik hem niet heb doodgebeten heb ik mijn woede niet
gekoeld!"Ook de vleermuis deed of hij heel erg verontwaardigd was en nadat
hij wat onaangename dingen over de ekster had gezegd vloog hij weg. De vleermuis
vloog toen naar het nest van de ekster en zei: "Broer ekster, broer ekster,
wij zijn oude vrienden en vanwege die goede vriendschap ben ik speciaal hierheen
gekomen om je iets te vertellen. Die kraai scheldt jou toch uit! Hij zegt dat
jij een deugniet bent en hij zegt dat jij niets voorstelt; bovendien zegt hij
dat hij je dood wil bijten!"Toen de ekster dat hoorde was hij zo kwaad dat
hij geen woord kon uitbrengen. De vleermuis sprak voor de schijn wat sussende
woorden, schold nog eens op de kraai en vloog toen weg.
Vanaf dat moment waren de kraai en de ekster gezworen vijanden. Maar beide
beschouwden ze de vleermuis als hun beste vriend en vroegen ze hem regelmatig te
gast. De feniks is de koning der vogels en toen hij begreep dat de kraai en de
ekster in onmin leefden wilde hij hen met elkaar verzoenen.
Op een zekere ochtend kwamen alle vogels bijeen: de leeuwerik, de lijster, de
koekoek..., allemaal; ook de vleermuis was gekomen en als laatste kwamen de
kraai en de ekster. Zodra die twee elkaar zagen, puilden hun ogen van woede uit
hun kassen.
Toen de feniks zag dat alle vogels verzameld waren, beval hij de kraai en de
ekster om eerst eens te vertellen waarom ze zo"n ruzie hadden opdat men
daarna gezamenlijk een oordeel zou kunnen vellen. De kraai vertelde dat ze ruzie
hadden gemaakt om een korenaar en dat de ekster hem had uitgemaakt voor én
zwart, én lelijk, en bovendien een domkop. Terwijl hij dit hele verhaal deed,
kon de ekster zich niet langer beheersen, zodat hij tegen hem uitvoer met de
woorden: "Ik heb hem helemaal niet uitgescholden! Maar hij heeft mij
uitgemaakt voor een deugniet die niets waard is, en bovendien wil hij mij
doodbijten!"De kraai zei daarop: "Als jij niet begonnen was met
schelden zou ik jou toch niet hebben uitgescholden?"De ekster zei dat hij
hem nooit had uitgescholden en de kraai zei dat hij dat wel had gedaan en ze
schreeuwden tegen elkaar met een dikke nek en rood aangelopen gezicht. Toen de
feniks hen had aangehoord bepaalde hij dat zij beide getuigen moesten vinden om
hun verklaringen te bewijzen. De kraai en de ekster riepen als uit één mond:
"De vleermuis is getuige!"Ieders blik richtte zich toen op de
vleermuis, in afwachting van wat hij te zeggen zou hebben. Maar de vleermuis
besefte dat zijn doortrapte rol aan het licht zou komen en hij wist geen woord
uit te brengen. Iedereen drong er bij hem op aan dat hij toch iets zou zeggen,
maar wat moest hij zeggen? Hij wist alleen maar met gebogen hoofd, vuurrood van
schaamte, stilletjes weg te vliegen. Toen eerst begreep iedereen de ware
toedracht: dat de kraai en de ekster zulke vijanden waren geworden door het
gestook van de vleermuis! De kraai en de ekster hadden spijt dat ze naar de
vleermuis hadden geluisterd en sloten weer vriendschap.
Vanaf dat moment wisten alle vogels dat de vleermuis niet te vertrouwen was en
niemand wilde meer iets met hem te maken hebben. De teruggekeerde vleermuis
voelde zich erg beschaamd. Omdat hij de vogels niet meer wilde ontmoeten, trok
hij weg uit het bos om voortaan onder de overstekende daklijsten van huizen te
wonen. Overdag is hij bang de vogels tegen te komen en houdt hij zich schuil.
Pas tegen de avond, wanneer de vogels zijn teruggevlogen naar het bos, vliegt
hij uit om alleen maar wat rond te fladderen in de directe omgeving van zijn
nest, op jacht naar insecten. Omdat hij bang is dat de vogels zijn stem kunnen
horen zingt hij ook nooit meer een lied. Tot op de dag van vandaag verschilt het
leven van de vleermuis radicaal van dat van de vogels. .
(Bron: www.beleven.org)
--
Hoe iemand die het
kleine begeert, het grote verliest
Er was eens
een oude vrouw die twee zonen had. Haar oudste zoon was liefdeloos en verliet
zijn moeder en broer. De jongste echter diende haar, zodat alle mensen over zijn
kinderliefde spraken.
Op een dag
werd er buiten voor het dorp toneel gespeeld. Hij droeg er zijn moeder op de rug
naartoe, opdat zij het zou kunnen zien. Voor het dorp lag echter een kloof. Daar
gleed hij uit en hij viel in de kloof. Zijn moeder werd zodanig door losse
rolstenen getroffen dat zij stierf: haar vlees en bloed werd overal heen gespat.
De zoon streelde het lijk van zijn moeder en weende bittere tranen. Hij wilde
zich al van zijn leven beroven, toen hij plotseling een priester voor zich zag
staan.
Deze zei
tegen hem: ‘wees niet bang. Ik kan je moeder weer levend maken.’
Terwijl hij
dit zei, bukte hij zich, vergaarde het vlees en de beenderen en voegde alles
weer op de juiste wijze samen. Toen blies hij haar aan en meteen was de moeder
weer levend. De zoon was zeer verheugd en dankte hem op zijn knieën. Aan een
rotskant zag hij echter nog een duimgroot stukje vlees van zijn moeder hangen.
‘Dat mag
daar ook niet blijven liggen,’ zei hij en borg het in zijn boezen.
De priester
sprak: ‘waarlijk, dat noem ik echte kinderliefde!’
Toen liet
hij zich het stukje vlees van de moeder geven, kneedde daaruit een klein
mannetje, blies hem aan en met een sprong stond het overeind. Het was een hele
flinke kleine jongen geworden.
‘Hij heet
de Kleine-Winst,’ zei hij, zich tot de zoon wendend.
‘Je mag
hem als je broer beschouwen. Jij bent arm en bezit niets om je moeder te
onderhouden; als je iets nodig hebt, kan Kleine-Winst het je verschaffen.’
De zoon
bedankte hem nogmaals. Daarna nam hij zijn moeder weer op de rug en zijn kleine
broer aan de hand en ging naar huis. Als hij tegen Kleine-Winst zei: ‘breng
vlees en wijn!’ was er ook meteen vlees en wijn en kookte er al dampende rijst
in de pan. Als hij tegen Kleine-Winst zei: ‘breng geld en laken!’ dan vulde
de beurs zich met geld en was de kist al tot aan de rand met laken gevuld. Wat
hij ook vroeg, hij kreeg alles. Zo werden ze langzaam zeer welgesteld.
Zijn oudere
broer was echter zeer jaloers op hem en toen er in het dorp opnieuw een
toneelstuk werd opgevoerd, nam hij zijn moeder met geweld op de rug en ging
erheen. Toen hij bij de kloof kwam, gleed hij met opzet uit en liet zijn moeder
in de diepte vallen, er slechts op bedacht dat zij werkelijk in stukken
uiteenviel. En werkelijk, de moeder kwam zo slecht terecht dan romp en ledematen
overal verspreid lagen. Op zijn gemak daalde hij nu zelf in de kloof af, nam
zijn moeders hoofd in zijn handen en deed alsof hij weende.
Meteen was
ook weer de priester ter plaatse en sprak: ik kan de dode weer tot leven wekken
en wit gebeente met vlees en bloed bekleden.’. Toen deed hij de laatste keer
ook gedaan had en de moeder kwam weer tot leven. De oudste broer had echter met
opzet al eerder een van haar ribben verborgen. Die haalde hij nu tevoorschijn en
hij sprak tot de priester: ‘er is nog een been over. Wat zal ik daarmee
doen?’
De priester
nam het been aan, deed er leem en aarde omheen, blies het aan zoals eerst en er
ontstond een mannetje dat veel gelijkenis vertoonde met Kleine-Winst, alleen was
hij veel groter van gestalte. ‘Hij heet Grote-Plicht,’ zei hij tot hem.
‘Wanneer je je aan hem houdt, zal hij je steeds terzijde staan.’
De zoon nam
de moeder weer op de rug en Grote-Plicht liep achter hem aan. Toen hij bij de
poort van de hoeve kwam, zag hij zijn jongere broer nader bijkomen die
Kleine-Winst in zijn armen droeg.
‘Waar ga
je heen?’ vroeg hij aan hem. De broer sprak: ‘Kleine-winst is een goddelijk
wezen dat niet blijvend onder de mensen wil wonen. Hij wil weer naar de hemel
vliegen en ik doe hem uitgeleide.’
‘Geen
Kleine-Winst toch aan mij! Laat hem niet gaan!’ zei de oudste. Maar voordat
hij uitgesproken was, verhief Kleine-Winst zich in de lucht. De oudste broer
liet nu haastig zijn moeder op de grond vallen en strekte zijn hand uit om Kleine-Winst te grijpen. Maar het lukte hem niet en
reeds verhief zich ook de Grote-Plicht, pakte Kleine-Winst bij de hand en beiden
stegen naar de wolken en verdwenen.
Toen
stapte de oudere broer op de grond en zei zuchtend: ‘ach! Omdat ik de
Kleine-Winst begeerde, het ik de grote plicht verzuimd.